Terug naar homepage 'de houten schepen van de Eiseendenhof'  
     
kotter 
'Eyseend' 
 
belevenissen     
restauratie & 
onderhoud 
   
de bouw 
1974-1975 
   
     
     

 

   
     
     
     
reacties     
     
e-mail: 
Eyseend 
   
 

Eiseendenhof Noordlaren Contact  

Het verhaal van de kotter 'Eyseend' (Bein Brandsma, Rohel)
Beschrijving in het boek 'Honderd jaar Brandsma Rohel'


In 1974 informeerde Wilko van Koldam uit Veendam naar de mogelijkheid om op Rohel een Deense kotter te laten bouwen. Daar had juist een aflossing van de generatie plaatsgevonden, waarbij Murk Janz. Brandsma de zaak had overgedragen aan zijn zoon Bein. Met Bein werd besloten tot de bouw van de kotter, die de naam 'Thyra' zou krijgen. De groei van het schip in aanbouw, van het branden van de boegen tot en met de tewaterlating en de vaartocht naar de tentoonstelling in Leeuwarden was een boeiend proces. Op de achtergrond werkte Murk - als het zo uitkwam alléén of met Jasper (medewerker) - ook aan het schip. Een enkele keer kwam Stan (ontwerper) er naar kijken en had dan soms pittige discussies met Bein.
In het boek 'Honderd jaar Brandsma Rohel' staat dit hele 'ontstaansproces' opgetekend. Uit dit boek hebben we het verhaal van de ontwerper en de opdrachtgever en eerste eigenaar, dhr. W. van Koldam overgenomen.

Eind 2005 hebben wij het schip ('Thyra') van de familie van Koldam in Makkum gekocht en de naam 'Eyseend' gegeven. Bij het verzamelen van alle informatie over het schip kwamen we foto's van de bouw van het schip tegen.

Op de volgende pagina's kunt u onze ervaringen met dit prachtige schip lezen:

 

Uit het het boek 'Honderd jaar Brandsma Rohel', Een scheepsbouwersgeslacht vergroeid met hout:
De ontwerper
Stanley T. Smith (1918-1980) stamde uit een Schotse familie van scheepsbouwers en reddingbootschippers. In de oorlog diende hij als 'glider'-piloot in de Royal Air Force.
Hij verbleef na de oorlog in Canada waar door hem ontworpen schepen in serie werden gebouwd. In 1949 stak hij samen met zijn broer Colin in een zelf gebouwde boot, de 'Nova Espera', van slechts 20 voet de Atlantische Oceaan over. De tocht ging van Nova Scotia in Canada naar Engeland. In 1951 maakte hij de tocht, nu met zijn vriend Charles Violet, in dezelfde boot in omgekeerde richting: van Engeland via Nova Scotia naar New York.
Hij kreeg een belangrijke functie op de werf van Carl Erik Kristensen (nieuwbouw en onderhoud van ± 250 houten kotters) te Hvide Sande. Hij bereikte dit door met behulp van een zelf ontworpen instrumentarium berekeningen te maken hoe de vissers met minder gasolie te verbruiken toch met meer vis thuis konden komen. In zijn laatste jaren maakte hij onder andere naar de Noorse Fjorden nog solotochten. Hij woonde op de zolder van een schuurtje op de werf. In zijn vrije tijd was hij bezig met het bouwen van een schoener van ferro-cement met een lengte van vijftien meter. Hij wilde daarmee na zijn pensionering naar familie in Australië zeilen. Het is er niet meer van gekomen, Stanley Smith overleed op precies 62 jarige leeftijd en werd begraven op een kerkhof in Ringkøbing.



Algemeen plan en spantdoorsneden 'Thyra'


De heer W. van Koldam schreef het voorwoord voor het boek
Het is verrassend dat in deze tijd van fusies, verplaatsing van de productie naar goedkope landen en investeringen onder sturing vanuit Brussel, een ambachtelijke scheepswerf zich heeft kunnen handhaven. Hoewel de werf al meer dan 200 jaar bestaat, waarvan de laatste 100 jaar als eigendom van een Brandsma, is zij geen 'museumwerf'. Men heeft er zeker belangstelling voor Scheepvaartmusea, waaraan ook schenkingen werden gedaan. Het bedrijf is echter in de eerste plaats een onderneming, waarvan het maatschappelijk bestaan van de eigenaar afhankelijk is. Er worden op ambachtelijke wijze schepen gebouwd en gerepareerd, maar nieuwe technieken bij de verwerking van hout worden niet geschuwd.
Aanvankelijk werden er voornamelijk ronde en platbodemschepen voor de beroepsvaart gebouwd. Later was de productie vooral gericht op de pleziervaart. Motorbootjes, schouwen, Friese jachten, kotters en enkele zeegaande jachten met een logger van 16 meter als hoogtepunt. Daarnaast vonden op de werf reparaties en restauraties plaats. Er waren soms moeilijke tijden en ook perioden waarin het personeelsbestand tijdelijk moest worden uitgebreid. De werf is klein genoeg gebleven om de hand van de scheepsbouwmeester te kunnen blijven herkennen. Als men er zelf aan het eigen schip werkt, is het een genoegen te ervaren dat het personeel van de werf kennelijk ook plezier in het werk heeft.
De opdrachtgevers waren tientallen jaren schippers, vissers en boeren uit de regio. Later ook mensen die voor hun plezier een schip wilden hebben zoals notarissen, ondernemers, artsen, dominees en anderen met affiniteit voor het ambachtelijk gebouwde, houten schip. Er is gebouwd voor Duitse en Engelse rekening en er werden in het buitenland gebouwde schepen gerestaureerd.
In 1974 kwam ik als opdrachtgever op de werf van Brandsma. Daar had juist een aflossing van de generatie plaatsgevonden, waarbij Murk Janz. de zaak had overgedragen aan Bein. We hadden eerst een 'wyldsjitter', maar met het groeien van het gezin moest de gewenste boot ook wat groter en daarmee duurder worden. Ik raakte geboeid door de vorm van schepen zoals die bepaald wordt door de functie, het vaargebied en de traditie. In Denemarken stuitten we op de werf van Carl Erik Kristensen op een ingeruild kottertje van 8,70 meter, de Anita, genoemd naar de vrouw van de werfeigenaar. Het kottertje was echter niet te koop. Later bleek dat Anita daarover haar veto had uitgesproken, omdat haar man twee jaar lang al zijn vrije tijd in de verbouwing tot jacht had gestoken.
Er werd een tussenoplossing gevonden. Deze hield in dat het scheepje professioneel werd opgemeten en dat het door Stanley Smith in tekening werd gebracht. Daar moest het voorlopig bij blijven, totdat met Bein Brandsma tot de bouw werd besloten. De groei van het schip in aanbouw, van het branden van de boegen tot en met de tewaterlating en de vaartocht naar de tentoonstelling in Leeuwarden was een boeiend proces. Op de achtergrond werkte Murk - als het zo uitkwam alléén of met Jasper - ook aan het schip. Een enkele keer kwam Stan er naar kijken en had dan soms pittige discussies met Bein). Als opdrachtgever moest ik wel eens een keuze maken uit niet geheel met elkaar sporende visies, die op de traditionele scheepsbouw in Friesland, Denemarken en Schotland waren gebaseerd. Een voordeel was dat Bein en Stan beiden in Canada hadden gewoond en dat er in elk geval geen taalproblemen waren. Ik kwam daarbij tot de conclusie dat 'vergelijkende scheepsbouw' een even boeiend vak is als 'vergelijkende anatomie'. De bouw verliep voorspoedig en leverde een goed schip, de 'Thyra', en een blijvende vriendschap op. Deze publicatie van dit boek toont aan waartoe een ambachtelijk bedrijf ook nu nog in staat is.
W. van Koldam
Makkum, februari 1998
Terug naar de houten schepen van de Eiseendenhof Naar boven